Tegen haar natuur in smokkelde Etty Hillesum kinderen Kamp Westerbork uit

Het is half negen’s avonds op vrijdag 3 juli 1942. Zittend aan haar bureau in de Gabriël Metsustraat in Amsterdam schrijft Etty Hillesum in haar dagboek. Dat het een warme dag is geweest. En dat ze een blaar heeft overgehouden aan de lange weg naar de stad. Nu Joden niet meer in de tram mogen, heeft ze als zovelen de voeten kapot gelopen. Dan voelt ze: ‘Men is op onze algehele vernietiging uit.’

Lees verder na de advertentie

‘Waarom nu pas dat gevoel?’, vraagt de wereldberoemde chroniqueur van de eerste oorlogsjaren zich af. Haar blaar is er niet de enige reden voor. Het is ook om Renate, die, met haar bleke gezichtje en korte beentjes, naar school moet lopen door de warmte, ‘een uur heen en een uur terug’. En om Liesl. ‘Die uren in de rij staat en nóg geen groente krijgt’. ‘Om zo verschrikkelijk veel, op zichzelf alles kleinigheden, maar alles onderdeeltjes van de grote vernietigingsstrijd tegen ons.’

Aan een vriend probeerde ze het als volgt uit te leggen: ‘Ik wil het lot van mijn volk delen’

Nuchter telde ze de omstandigheden bij elkaar op, en kwam tot een slotsom – maar verder viel er in haar ogen weinig meer te berekenen. Dus wil ze niet onderduiken, schrijft ze: ‘Dit is een sommetje, dat niet op gaat. Iederéén is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan?’

Aan een vriend probeerde ze het als volgt uit te leggen: ‘Ik wil het lot van mijn volk delen.’ Onderduikers vinden zichzelf daarvoor te goed, te waardevol, redeneerde ze. Niet veel later, in het najaar van 1943, werd Hillesum in Auschwitz vermoord.

Pas in de jaren tachtig komt haar dagboek uit; het wordt een internationale bestseller. Om haar lotsaanvaarding is ze zowel geliefd als verguisd. Met name in de Joodse gemeenschap stuitte deze gedachte op verontwaardiging. Zo stelde publiciste en ingezonden-brievenschrijfster Henriëtte Boas dat ‘al degenen die hun leven te danken hebben aan de onderduik’ dankzij Hillesums dagboek ‘als egoïsten gelden’.

Maar nu, 75 jaar na haar dood, blijkt dat zij in de laatste maanden van haar leven van gedachten is veranderd. Die ontdekking deed literatuurwetenschapper Bettine Siertsema van de Vrije Universiteit in een oud document dat ze aantrof in het archief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. In de oorlogsmemoires die de Joodse verzetsheld Ies Spetter in de zomer van 1945 schreef, vermeldt hij hoe hij vanuit doorvoerkamp Westerbork met Etty Hillesum Joodse kinderen wegsmokkelde. Zodat ze konden onderduiken.

Maar nu, 75 jaar na haar dood, blijkt dat zij in de laatste maanden van haar leven van gedachten is veranderd

Net als Spetter (1921-2012) werkte Hillesum in Westerbork voor de Joodse Raad. Die organisatie onderhandelde met de Duitsers over wie op transport moest worden gesteld. Dat ze daar beiden werkten was geen toeval, zegt Siertsema. “Wie bij de Joodse Raad werkte, deed dat om niet gedeporteerd te worden. Op het hoogtepunt hadden meer dan 1700 mensen daar een functie. Formeel telde het personeelsbestand dus eindeloos veel typistes, verhuizers en klusjesmannen. Die mensen kregen dan een stempel en hoefden tenminste niet weg.”

Hillesum wekte bewondering om haar literaire gaven, maar ook om de wijze waarop ze in oorlogstijd het kwaad te lijf ging. Ze wilde per se geen haat koesteren jegens Duitsers, en in de eerste plaats het kwaad in zichzelf bestrijden. Met haar weigering onder te duiken wisten vrienden zich geen raad. Zij noemden haar ‘passief’ en ‘onverschillig’ ten opzichte van de nazi’s en drongen erop aan om toch alsjeblieft ‘uit hun klauwen te blijven’. Op een dag deden Klaas Smelik en zijn dochter Johanna een poging tot ontvoering: de taxi naar een onderduikadres stond al buiten te wachten, en Klaas tilde haar van achteren op, maar ze wist zich los te wringen. Een scène die zich in iets gewijzigde vorm later nog eens herhaalt.

Op haar beurt probeerde Hillesum anderen van haar zienswijze te overtuigen. Toen haar goede vriendin Leonie Snatager, ook Joodse, wél zou gaan onderduiken, en al een plek had geregeld, praatte Hillesum nog op haar in om er van af te zien. Maar Snatager zette door, en overleefde de oorlog. Ze is in 2013 overleden.

Het baantje bij de Joodse Raad nam Hillesum met tegenzin aan, op ‘dringend aanraden’ van een vriend

Het baantje bij de Joodse Raad nam Hillesum met tegenzin aan, op ‘dringend aanraden’ van een vriend. Ze vergelijkt de aanstelling in haar dagboek met ‘het zich verdringen om dat éne stukje drijfhout op die eindeloze Oceaan na de schipbreuk’. ‘En dan maar redden wat er te redden valt en elkaar wegduwen en de verdrinkingsdood injagen, zo onwaardig alles en van dat gedrang houd ik ook niet. Ik zal wel tot de mensen horen, die liever nog een beetje op hun rug over die Oceaan blijven drijven met hun ogen naar de Hemel gekeerd en die dan met een berustend en devoot gebaar verzinken.’

Ies Spetter was al net zo huiverig om bij de Joodse Raad te gaan werken: hij wilde niets doen wat de Duitsers zou helpen. De leider van zijn verzetsgroep vroeg hem toch te gaan. Uit het lange verslag dat Spetter in de zomer van 1945 maakte van zijn lotgevallen, blijkt dat hij, eenmaal in Westerbork, daar met anderen een sociale afdeling opzette. ‘Vervuld van de idee zoveel mogelijk te helpen zonder één vinger voor de S.D. administratie-machine uit te steken.’

Aanvankelijk dacht hij dat de mensen die op transport werden gezet naar kampen in Polen en Duitsland, daar aan het werk zouden worden gezet.

Op die sociale afdeling, waar ook Hillesum werkte, hielpen ze de ontredderde mensen, en zamelden ze bijvoorbeeld goederen in voor wie zonder bagage was aangekomen. Net als Hillesum was Spetter er al van overtuigd dat de nazi’s van de Joden af wilden. Maar aanvankelijk dacht hij dat de mensen die op transport werden gezet naar kampen in Polen en Duitsland, daar aan het werk zouden worden gezet. Het ging namelijk eerst alleen om mensen tussen de 16 en 45 jaar. Tot er mensen arriveerden na een grote razzia, schrijft Spetter. ‘De deerniswekkende optocht van ouden, zieken, kinderen, sommige nog in pyjama maakte het voor mij en nog enkelen duidelijk, dat het hier niet om werkstelling, maar om de zoo dikwijls beloofde ‘Ausrottung’ ging.’

In de memoires dicht Spetter een paar regels over de mensen die hij in Westerbork op de trein naar het oosten ziet gaan.

Zoo willen zij ons hebben, gebeukt,
geslagen,
de geest gebroken en het hart kapot,
Een bende zwervers zonder land of God,
te moe te dof hun lot te dragen

Dan vervolgt hij: ‘Samen met een vriendin Mr. Hillesum slaagde ik er in enkele kinderen, uit het kamp te smokkelen. Mijn vrouw ging ze daar halen en bezorgde ze verder.’

Als literatuurwetenschapper die gespecialiseerd is in Holocaustgeschiedenissen weet Siertsema meteen dat het bij de ‘Mr. Hillesum’, die Spetter zo tussen neus en lippen door noemt, om Etty Hillesum gaat. Ze was afgestudeerd in de rechten, en werd liefst bij haar academische titel aangeduid. “Ik denk dat het haar een beetje meer status gaf om als officiële functionaris aangeduid te worden”, zegt Siertsema. “Ergens schrijft ze aan een vriendin dat het zo het ‘veiligst’ is om postpakketten aan haar te sturen. Misschien hoopte ze dat er minder uit gestolen zou worden.”

Van Hillesum zijn uit Westerbork ook brieven bewaard, maar daarin vermeldt ze niets over de kinderen. “Dat is niet zo verwonderlijk”, duidt Siertsema. “Zij is daar niet meer weggegaan, en schreef dus tijdens verblijf in het kamp. Spetter vertrok uit Westerbork, en maakte zijn tekst pas later, toen het weer veilig was. Zou Hillesum dat wegsmokkelen genoemd hebben, dan zou ze zichzelf en anderen in gevaar hebben gebracht. Een brief kon destijds zomaar in verkeerde handen vallen.”

De kinderen werden in een ambulance gezet die gebruikt werd om zieken te vervoeren naar het academisch ziekenhuis in Groningen

Op het typoscript van Spetters tekst is met pen een aantekening gemaakt. Daaruit valt op te maken dat ze de kinderen in een ambulance zetten die gebruikt werd om zieken te vervoeren naar het academisch ziekenhuis in Groningen. “Maar wie die kinderen waren? En met hoeveel ze gingen?” Siertsema weet het niet. “In de archieven heb ik helaas nog niets gevonden. Ik hoop vurig dat er meer informatie opduikt.”

Eén ding is zeker. Siertsema: “Hillesums gedachten over hoe het kwaad bestreden moest worden, hebben in Westerbork een andere richting gekregen. En daar heeft ze naar gehandeld. Aan het lot dat zij voor zichzelf aanvaard had, liet zij deze kinderen ontsnappen.”

“Ik denk dat ze pas daar, waar mensen in treinen werden gestouwd, heeft gezien, nee ingezien, wat er stond te gebeuren. Of ze zeker wist dat Polen de dood betekende? Ze laat doorschemeren van wel, maar een paar regels verderop fantaseert ze dan weer over wat ze na de oorlog zou doen. Het is een terugkerend gegeven over de Holocaust: wat men erover ‘wist’ is lastig te zeggen. Er is een verschil tussen weten en weten. Net als met weten dat een liefde ophoudt. Dat weet je pas echt later, als het goed is doorgedrongen.”

Spetter werd in 1943 gevangen door de Duitsers, en kwam in Auschwitz terecht. Toen de bevrijding naderde, zetten ze hem op een dodenmars, maar hij wist te ontsnappen. Hij woog nog maar 36 kilo. Na de oorlog emigreerde Spetter naar de VS waar hij promoveerde in de sociale psychologie. Later getuigde hij in het Neurenbergproces en kreeg hij het Verzetsherdenkingskruis.

Ik denk dat ze pas daar, waar mensen in treinen werden gestouwd, heeft gezien, nee ingezien, wat er stond te gebeuren

literatuurwetenschapper Bettine Siertsema

Hij ging doceren over vrede, en hij bleef schrijven. “En helemaal niet onverdienstelijk”, zegt Siertsema. Ze leest een zin voor uit een van zijn boeken, ‘Man, the Reluctant Brother’: ‘In plaats van ons te verdiepen in die krachten die de mensheid bedreigen, zouden we ons misschien minstens zoveel moeten bezighouden met die dingen die het leven bijeen houden en het bewaren.’

Vragend kijkt Siertsema op van de tekst. “Valt je hier niets aan op? Het lijkt wel of we Etty Hillesums stem horen in zijn geschriften! Dat zinnetje over ‘Mr. Hillesum’ is het enige wat hij aan haar wijdt in zijn memoires. En zij noemt hem ook maar één keer zijdelings. Of ze dit van elkaar wisten is onbekend, maar ze hebben, heel bijzonder, vanuit een zielsverwantschap gewerkt.”

Het had niet veel gescheeld of Etty Hillesum was vergeten. Vandaag, op haar honderdste geboortedag, is de in Auschwitz gestorven schrijfster wereldberoemd. ‘Ze overleefde bijna een halve eeuw stilte.’

Gabriel Metsustraat 6 in Amsterdam, de woning waar Etty Hillesum haar wereldberoemde dagboeken schreef, staat te koop.